De plastic pluggen van IKEA

‘Heb jij zin om te helpen een PAX-kast in elkaar te zetten? Nee is een heeeeeel begrijpelijk antwoord hoor!’, mailt vriendin L. Ze heeft een vriendje, waarom vraagt ze hem niet? Dan lees ik dat hij het weekend druk is met meisjeskonten kijken bij een of andere miss verkiezing. Ik weet nu wie ik kan vragen te helpen met m’n kozijnen verven dus mail ik terug: ‘Natuurlijk kom ik je helpen’.

Als ik bij vriendin L. kom, zit ze op de grond en telt zorgvuldig het aantal schroeven en pluggen. ‘Het klopt’, zegt ze opgelucht. ‘Muziekje aan en we kunnen beginnen’, zeg ik. ‘Chill of power?’ ‘Powerrrr!’

‘We schroeven eerst deze twee kanten in elkaar en dan zetten we hem rechtop en monteren de rest’, instrueert L. We tellen gaatjes, schroeven en timmeren en zetten de kast overeind. ‘Gaat best goed hè?’, zegt L. verbaasd. ‘Hartstikke goed’, zeg ik zelfverzekerd. ‘Alleen de planken, roedes en lades nog en we zijn klaar!’

pax‘Deze la komt hier’. L. pakt een plastic la met 6 vakjes. ‘Hier komen m’n strings en broekjes en daar m’n accessoires. M’n beha’s komen in die andere la.’ Ze demonstreert hoe ze mooi achter elkaar op kleur opgeborgen worden. Ik denk aan m’n rommel ondergoed la en glimlach ietwat jaloers.

Samen hangen we de la met vakjes op z’n plek. Doinggg! We hebben de geleider op z’n kop gemonteerd. ‘Nee’, gilt L. als ze de la oppakt. De schotjes voor de vakjes zijn gebroken. Ik krijg het een beetje warm. Was het mijn schuld?

Nog een la, nieuwe kansen. Ik lees het papier met instructies en monteer de pluggen. Dan hangen we de la in de geleiders. Op de plek waar de la in de geleider moet vallen zitten plastic plugjes die ik er zojuist heb ingestopt. ‘Stond dat in de handleiding?’, vraagt L. geïrriteerd. ‘Volgens mij wel’. We keren de la om en pakken de instructies erbij. ‘Uhm, niet dus,’ zeg ik. ‘Maar het leek zo logisch. Waar moeten ze anders in?’ L. probeert met haar tanden de plugjes uit de gaten te krijgen. Ik zucht sorry en hoe ik zo stom kon zijn. ‘Heb je een dun mesje of iets?’, opper ik. L. komt terug uit de keuken met een olijfvorkje en wipt de plugjes er uit. Pfiewwww!

Een half uur later hangen de lades, roedes en planken op hun plek. ‘Mooi he?’ zegt L. terwijl ze een paar bloesjes ophangt. ‘Prachtig!’, zeg ik.

Als ik naar huis ga liggen de plastic plugjes nog ergens op de grond.

Stumper van de klas

Yoga is goed om je lijf soepel te houden en helemaal als je hardloopt en je zulke korte beenspieren hebt als ik. Ik heb een enkel- en kuitbeenblessure en al bijna 2 maanden niet gerend. Ik wil dolgraag naar yoga maar ik durf niet.

7 jaar geleden volgde ik een paar lessen. In mijn klas legden 60-plus dames moeiteloos hun handen plat op de grond. Ik was de jongste en kreeg m’n benen niet eens gestrekt! Ik hou er niet van de stumper van de klas te zijn, dus stopte ik.

Maar ik hou meer van hardlopen dan dat ik er niet van hou de stumper van de klas te zijn. Daarom geef ik mezelf een schop onder m’n kont richting de yogastudio om de hoek voor een proefles. De ruimte is licht met een houten vloer. Het ruikt er fris en zoet. Een man met een lange grijze staart praat met de yogalerares. Hij doet me denken aan een Zen Master die zonder centje pijn 5 dagen op een berg kan zitten mediteren.

We beginnen met een oefening op een opgerold yogamatje waar we met onze onderrug langzaam over heen bewegen. Dat gaat best makkelijk. En het voelt ook prettig. Alsof m’n rug langer wordt. In m’n ooghoek zie ik de Zen Master worstelen om z’n benen in de lucht te krijgen. Goh, hij is dus niet zo lenig als ie er uitziet.

Dan moeten we een bankje pakken. Voordat ik me kan afvragen wat we daarmee gaan doen, vliegen er benen rondom me de lucht in.  Oh nee, ik moet op m’n hoofd gaan staan! M’n klasgenoten staan met gesloten ogen met hun benen in de lucht. Hé, dat ziet er best indrukwekkend uit. Heel zen. De yogalerares komt naar me toe en instrueert hoe ik m’n schouders op het bankje zet en m’n hoofd tussen de plankjes steek. Voorzichtig zet ik af en steek m’n benen in de lucht.

Wiehaa, ik sta op m’n hoofd! Ik voel dat ik rood aanloop. Nog roder. Ik sluit m’n ogen om de druk in m’n hoofd weg te zennen maar zo zen ben ik (nog) niet. Ik laat m’n benen zakken en ga staan.

‘Netjes hoor’, zegt de yogalerares. ‘Dat lukt lang niet iedere beginner. Kom je volgende week weer?’

Ja, leuk!

Bikinistress in de Bijenkorf

Ik moet een nieuwe bikini, dacht ik zondag toen ik m’n voeten voor het eerst dit jaar in m’n Birkenstock slippers stak. Het is nú nog geen bikiniweer, maar als het straks wél bikiniweer is dan is er natuurlijk geen fatsoenlijke bikini meer te krijgen.

Als ik even later tussen honderden bikini’s en badpakken in de Bijenkorf sta, bedenk ik me dat het vinden van de juiste bikini een verschrikkelijke opgave is.

Een groot broekje kun je over je zwembandjes hijsen maar daarin lijkt je kont weer huge. Bij een klein broekje moet je uitkijken voor een bouwvakkersdecolleté en overhangend buik- en rugvet.

Aan de collectie te zien is een strapless model het helemaal deze zomer. De keer dat ik mijn ietwat hangende, druppelvormige boezem in zo’n ding stak leek het alsof ik een mini anti-tochtrol op m’n borst had geplakt. Geen strapless dus. Ik moet een bovenstuk die de boel omhoog hijst. Iets met een halter.

Welke kleur? Zwart kleed af maar is niet zomers. Wit staat alleen als je poepie bruin bent. Met een rode beach outfit wek je de indruk dat je jezelf een Baywatch chick waant. Horizontale strepen maken dik en een panterprint staat gauw ordinair. Pffff! Ik besluit voor effen blauwtinten te gaan en bloemenprints in felle kleuren.

Een uur later sluit ik me met zes verschillende bikini’s op in een pashokje. Ik haal diep adem. Nog eens. Ik schop m’n slippers uit, trek bikini 1 aan en bekijk mezelf in de spiegel.

Oef. Binnenkort maar even onder de zonnebank. En buikspieroefeningen doen. Waarom is het licht in die pashokjes altijd zo fel? Ik draai me om en bekijk m’n kont. Aaah! Ik heb vier billen! Snel trek ik bikini 1 uit en bikini 2 aan. Het broekje lubbert en m’n borsten piepen uit het bovenstuk. Bikini 3 dan maar. Dit model zit zo strak dat ik net een rollade lijk. Next! OMG, bikini 4 krijg ik niet eens aan! Jemig, wat is het heet in dit hok. Het lijkt wel juli.

Bikini 5 en 6 laat ik op hun hangers.

M’n oude bikini kan best nog een zomer mee, denk ik en trek m’n Birkenstocks weer aan.

Freakshow

Het lijkt alsof de hele wereld behalve ik een Chinees in damesondergoed heeft gezien en is toegezongen door de pianoman op Chatroulette, dé internetsensatie van de afgelopen maanden. Het leek me nogal simpel vermaak voor als je écht niets te doen hebt. Niks voor mij. Of zouden er echt zo veel freaks te zien zijn? Die vraag bleef me maar stalken. Vrijdag kon ik m’n nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en surfde naar chatroulette.com.

Een bebrilde jongen in trui met groot embleem verschijnt op m’n scherm.

Partner: Hi! Where are you from?

You: Hi! I am from Holland. And you?
Partner: Switzerland.
Partner: You are the first Dutch I see here
You: Really? Well, it’s my first time here

Blur! Het scherm wordt zwart. Pardon? Meneer wil geen maagden zeker. Tsss.

Next. Er verschijnen twee giechelende meisjes. Ze zwaaien. Vanuit Zweden vertellen ze. Ik ben de eerste normale persoon die ze zien. Dan moeten ze ineens eten. Het scherm wordt weer zwart. Next. Een jongen. Hij steunt met z’n hoofd op z’n hand en glimlacht als hij me ziet.

Partner: Hi
You: Hi
Partner: Where are you from?
You: Holland. And you?
Partner: Albania

Hij is minstens 10 jaar jonger dan ik. Ik vraag waarom hij zo droevig kijkt. Hij vertelt dat z’n vriendin het net heeft uitgemaakt. Ach, arme ziel. Hij vertelt dat hij van haar houdt. En van dansen. En van dansen met haar. Dan vraagt hij of ik ook op Facebook zit. Zonder na te denken geef ik m’n naam. Een minuut later ben ik bevriend met ’n Albanees van 19 met liefdesverdriet.

Ok, ik heb het wel gezien. Beetje saaie bedoening dat Chatroulette.

Een uur later heb ik een bericht van de Albanese jongen. Hij vond het fijn met me te praten en vraagt of ik ook Skype. OMG. Wat moet ik hier nu weer mee? Negeren? Wat een sukkel ben ik ook dat ik m’n naam heb gegeven. Een dag later ontvang ik weer een bericht. Hoe het met me gaat en waarom ik niet reageer. Zal ik hem ontvrienden? Hij is natuurlijk wel een beetje zielig. De volgende dag vraagt hij of ik naar Albanië kom.

Wat een freak!

Mis poes!

‘Gijsje is zoek’ staat er in grote letters op het A4’tje dat op bomen in mijn straat is geprikt. De rood met witte kater op de foto kijkt een beetje angstig. Die kat ken ik! Die zit regelmatig in m’n achtertuin. Toen ie nog klein was kwam ie regelmatig naar me toe. Nou ja… Ik lokte hem met een schaaltje melk. En nu is ie zoek. Wat zielig!

katerIk ga Gijsje redden. Ik zie mezelf al zitten met Gijsje op schoot terwijl ik de eigenaresse bel. Zielsgelukkig spurt ze met haar kattenmand naar mijn huis. Met een verterende glimlach kijk ik toe hoe het beest en zijn baasje worden herenigd.

Als ik een dag later door de achterdeur naar buiten kijk, zie ik 2 groene ogen. Gijsje! Ik doe de deur open, hurk en maak geluiden die je alleen maakt als je een kat roept. Gijsje blijft zitten en staart me wantrouwend aan. Ik pak een tak waarmee ik op de grond tik. De kat kijkt gebiologeerd naar de tak die heen en weer over de tegels schraapt en komt iets dichterbij. En nog iets. Op een meter afstand blijf ie zitten.

Als ik nu opsta en ‘m probeer te pakken is ie weg. Ik heb geen melk. Wel kaas. Zou ie kaas lusten? Ik sta op en loop naar de keuken. Met een plak kaas in m’n hand ga ik weer op m’n hurken zitten en gooi een klein stukje kaas naar Gijsje. Hij eet het op. Ik gooi nog een stukje maar zo dat ie dichterbij moet komen. Nog een. De kat zit nu op 30 cm van me vandaan. Ik steek m’n hand uit met een stuk kaas maar hij durft het niet te pakken. Het heeft nu lang genoeg geduurd. Ik sta op en grijp de kat. Gijsje blaast en krabt. Stevig druk ik het beest tegen me aan, gooi hem naar binnen en sluit de achterdeur.

‘Maar dat is Gijsje niet’, zegt het baasje van Gijsje die 10 minuten na mijn telefoontje in mijn woonkamer staat.

‘Oh’.

Als het baasje van Gijsje weg is, pak ik de verkeerde Gijsje op en plof op de bank. Zodra er nieuwe A4’tjes met ‘Vermist’ in de straat hangen bel ik wel.

Deze column is op 13 april 2010 gepubliceerd in De Pers.

Help! M’n fysio is ‘n hottie (2)

Nerveus speel ik met m’n iPhone in de wachtkamer van de fysiotherapiepraktijk. Ik kan maar aan één ding denken: laat Peter, m’n fysio, m’n column in De Pers niet hebben gelezen waarin ik hem mix McDreamy McSteamy noem.

‘Heb je een gesigneerd exemplaar?,’ vraagt Peter als ik eenmaal op de behandeltafel lig. Ik voel het rood optrekken van m’n hals tot m’n kruin. Thank God lig ik met m’n gezicht in het gat van de tafel. Een gat waar ik nu héél graag door zou willen kruipen tot diep onder de grond.

mcsteamyWat ben ik ook een sukkel. Natuurlijk hebben ze zich in bijna iedere fysiotherapiepraktijk in Nederland afgevraagd of mix McDreamy McSteamy bij hun werkt.

Ik giechel betrapt en zeg dat ik hoopte dat hij m’n niet column zou opmerken. Hij vertelt dat de stagiaire er mee kwam en dat z’n collega’s er hard om hebben gelachen. ‘Ga je me nu martelen?’, vraag ik. Peter lacht en zegt dat ie lief zal doen terwijl hij m’n kuiten masseert. ‘Maar je mag schoppen hoor’. Djiez, ik ben in een fucking doktersroman beland.

Als hij m’n been schudt en kont laat trillen, zegt ie: ‘Sorry, dit hoort er toch echt bij’. Pfiew, hij lijkt het wel amusant te vinden. Voor de zekerheid vraag ik of ie het écht niet vervelend vond. ‘Nee hoor, juist leuk. Ik sta natuurlijk niet elke dag in de krant. Heb het thuis ook laten lezen.’ Hihi, subtiele manier om te laten weten dat ie voorzien is. O nee, wacht even. Hij denkt toch niet dat ik verliefd ben? Dat ik met een bonzend hart in de wachtkamer zit. Dat ik fantaseer over wat we nog meer op die behandeltafel kunnen doen. Zal ik zeggen dat hij zich geen zorgen hoeft te maken? Dat ik hem heus niet op de tafel trek?

‘Hoe gaat het met je training voor de marathon?’ Gelukkig, ander onderwerp.

‘Volgende week zelfde tijd?’, vraagt Peter als ik me heb aangekleed.

‘Oké,’ zeg ik, ‘tot volgende week’.

‘Geen gekke dingen schrijven hè?’

Deze column is op 30 maart 2010 gepubliceerd in De Pers.

Help! M’n fysio is een hottie

‘Ik wil graag een afspraak maken bij Dirk,’ zeg ik als ik de fysiotherapiepraktijk bel. ‘Dirk is al een tijdje ziek,’ vertelt de stem aan de andere kant van de lijn. ‘Maar ik kan wel een afspraak voor je maken bij Peter, hij is ook sporttherapeut.’

Twee dagen later zit ik in de wachtkamer tegenover een man in een kakikleurige broek met sportschoenen. Hij leest de Metro. Ik lees met een half oog de Vrij Nederland van augustus 2009. Dan gaat de deur naar de gang met behandelkamers open.

McDreamyOMG, dit is McDreamy. Nee, McSteamy. Nee, een kruising. Maar dan jonger. Als hij maar niet Peter is. Laat hem please, please, please niet Peter zijn. ‘Ze zijn nog bezig in de oefenruimte maar je kunt alvast doorlopen hoor,’ zegt mix McDreamy McSteamy tegen de kakikleurige broek met sportschoenen. Pfiew! Als ik m’n blik vlug weer in de Vrij Nederland richt zegt ie m’n naam. Schoorvoetend loop ik de behandelkamer binnen.

Peter laat me plaatsnemen op de stoel naast zijn bureau. Ik vertel over mijn training voor de marathon, m’n pijnlijke kuiten en hiel. Peter staat op en slaat met z’n hand op de bank. ‘Ga maar liggen, dan praten we ondertussen verder’. Gedwee trek ik m’n sneakers en sokken uit. Als ik m’n joggingbroek aan het haakje ophang haal ik opgelucht adem. Ik heb vanmorgen geen string aangetrokken maar een hipster.

Ik kruip op de bank en leg m’n hoofd in het daarvoor bestemde gat. Peter stelt 100 vragen over m’n training, waarom ik hardloop en wat voor werk ik doe. Hardhandig masseert hij m’n kuiten. Ik doe heel hard m’n best niet te schoppen. Dan vertelt hij hoe belangrijk voetverzorging is als je hardloopt. ‘Ik zie hier een paar kloofjes.’ Hij wrijft met z’n duim over m’n hiel. Nee, ik heb hielkloven! En dat moet uitgerekend hij aanwijzen! Dan schudt hij m’n been om te kijken hoe los de boel nu is. Ik voel m’n onderbeen, bovenbeen en kont trillen. Charming, heel charming. Net zo charming als de bankafdruk in m’n gezicht die ik in de spiegel ontdek als ik m’n broek aantrek.

‘Volgende week zelfde tijd?’ Ik knik, glimlach, pak het afsprakenkaartje en spurt de deur uit. Richting de Etos voor anti-hielkloven crème.

Deze column is op 22 maart 2010 gepubliceerd in De Pers.

Happy

Toen ik een jaar of 10 geleden in de Cosmopolitan, Elle, Marie Claire of wat voor vrouwenblaadje ook artikelen las over hoe geweldig blij vrouwen van 30 waren dat ze geen 20 meer waren, dacht ik altijd wat een crap. Die artikelen stonden vol met uitspraken als:

Print‘Ik ben nu eindelijk blij met mezelf.’
‘Ik weet nu wat ik wil en wat ik niet wil.’
‘Ik ben dan misschien niet meer zo strak als 10 jaar geleden, ik zit veel beter in m’n vel.’

Wat een gelul. Jullie zijn gewoon jaloers. Jullie krijgen rimpels, hangbuiken en rammelende eierstokken. En eigenlijk willen jullie het liefst weer 20 en strak zijn zoals de meisjes waar jullie vriendjes en mannen altijd naar zullen blijven hunkeren. Maar omdat dat onmogelijk is en een zuur wijf vele malen erger is dan een oud wijf, doen jullie net alsof jullie heel happy zijn met jezelf. Zo van jullie zijn misschien nog jong en aantrekkelijk, wij zijn volwassen en gelukkig enzo.

Nu moet ik toegeven dat ik in het laatste jaar als twintiger besefte dat de dames die nu de 40 gepasseerd zijn best wel eens gelijk konden hebben. Hoewel m’n leven er totaal anders uitziet dan ik 10 jaar geleden had bedacht (geen eigen huis, auto, man, leuke spaarrekening) en ik dingen doe waarvan ik dacht dat je die echt niet meer kon doen (met roze pennen schrijven, hello kitty ondergoed dragen, met een knuffel slapen) ben ik happy.

Als ik de komende 10 jaar in de Red en Linda lees hoe blij vrouwen van 40 zijn dat ze geen 30 meer zijn, zal ik geloven dat ze dankbaar zijn voor hun opvliegers en niet meer hoeven te dubben over wel of geen kinderen.

Wijsheid komt met de jaren. Dus toch.

Deze column is op 27 juli 2010 gepubliceerd op Viva.nl.

‘We zijn niet flauwgevallen’

Au!!! Ik kijk naar het bloed dat uit m’n duim gutst. En naar een los stuk vel. Ik word licht in m’n hoofd. Vlug wikkel ik een stuk keukenpapier om m’n duim.  En veeg de bloeddruppels van het aardappelmesje waarmee ik de korst van de kaas wilde snijden.

M’n mobiel gaat. Het is vriendin F. Ik vertel over mijn ongelukje. Terwijl zij over haar weekend vertelt, zie ik het keukenpapier langzaam rood worden. Ik haal het eraf om de snee nogmaals te bekijken. ‘Dit is niet goed!’ roep ik. M’n maag keert zich om en ik voel dat ik wit wegtrek. Vriendin F. geeft instructies: ‘Bel de huisarts, dan krijg je een bandje en hoor je het nummer van de spoedhulp dan bel je die en dan hoor je wat je moet doen. En dan bel je mij terug.’ De mevrouw van de spoeddienst vertelt me dat ik naar de huisartsenpost in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis moet.

In gedachten zie ik een dokter m’n  duim verbinden. Hij kijkt me aan met een ‘wat een aansteller en dat je me met zoiets op zaterdagmiddag lastigvalt’ blik. Dan zie ik naald en draad, nietjes, spuiten, heel veel bloed en een hand zonder duim. Ik bel vriend M. Hij is een van de weinige vrienden in Amsterdam met een auto. ‘Ik ben er over 10 minuten’, zegt hij resoluut. Daarna bel ik vriendin F. Ze beveelt me m’n duim hoog te houden en haar op de hoogte.

In het ziekenhuis komt een dunne blonde dame gekleed in het zwart op me af lopen. ‘Mevrouw Becker?’, zegt ze. Ze lijkt helemaal niet op een arts. Ze heeft niet eens een witte jas aan. Ik loop met haar mee naar een kamertje en laat m’n duim zien. ‘Die moet gehecht worden’, zegt ze. OMG! Ik denk aan hoe ik bewusteloos op de vloer lag bij de huisarts nadat hij een moedervlek van m’n been had gesneden en de huid had gehecht. Ik bel vriend M. die in de wachtkamer is blijven zitten. ‘Het moet gehecht worden en je moet me tegen me aan lullen, anders ga ik tegen de vlakte’, zeg ik. ‘Maar ik kan er ook helemaal niet tegen’, hoor ik twijfelend aan de andere kant. ‘Dan kijk je ook niet’.

duim

‘Dit voelt vervelend’, zegt de dokter terwijl ze de eerste verdoving in m’n duim prikt. Vervelend? Dit doet #$%@ pijn! Bij de tweede prik trekken alle spieren in m’n lijf samen. De neiging om de dokter een hoek te geven kan ik net onderdrukken. Ik voel tranen prikken achter m’n ogen. Ik kijk naar de zweetdruppeltjes op het voorhoofd van vriend M. Hij klopt bemoedigend op m’n schouder.

‘Voel je dit?’, vraagt de dokter terwijl ze met een instrument waarvan ik de naam niet weet op m’n duim tikt. ‘Jahaaa!’, roep ik. ‘Dan wachten we nog even’, zegt ze. Dat lijkt mij een heel goed idee. De tweede keer dat de dokter op m’n duim tikt doet het geen pijn. Ze begint met de hechting. Ik wend m’n hoofd af. Vriend M. praat tegen me. Ik praat terug maar weet eigenlijk niet wat ik zeg. Ik hoor hoe de dokter aan het draad trekt en de snee dichtnaait. Even later zegt ze: ‘Het is klaar hoor. Er zitten twee hechtingen in’. Ik kijk naar de grote witte pleister om m’n duim. ‘We zijn niet flauwgevallen!’, zeg ik trots.

De achtervolging

Tijdens mijn hardloopronde door het bos merk ik ineens dat ik achterna word gezeten. Hij hijgt, briest en snottert en heeft het op mij voorzien. Hij loopt nu vlak achter me. Zijn hete adem voel ik in m’n nek. Hij kan me nauwelijks bijhouden. Aha! Dat vindt ie natuurlijk vreselijk. Een vrouw die harder loopt. Stomme kerels ook!

Doe Running by Todd RyburnOh nee, hij komt nog dichterbij. Als een luipaard die zijn prooi gadeslaat, zijn bek aflikkend bij de gedachte dat hij straks zijn tanden in een lekker hapje zet. Als een opgejaagde hinde versnel ik. Maar daar is ie al. Hij loopt nu naast me. Met een schuin oog inspecteer ik m’n achtervolger. Kort grijs haar, ongeschoren, een bril en minstens 55 plus. Die kan ik mak-ke-lijk aan! Ik zet nog een tandje bij. Haha, pak aan! Kun je wel, jonge vrouwen opjagen? Maar in plaats van dat hij langzaam verdwijnt in een zwart stipje in de verte, hoor ik z’n gesnotter nog steeds. Hij rent nu schuin achter me.

Hmm, die ouwe is niet zo sloom als ie er uitziet. Jemig wat is dit irritant! Ik loop hard omdat ik het alleen kan doen, waar en wanneer ik dat wil. Omdat ik me dan helemaal vrij voel. En m’n hoofd kan verlossen van allerlei idiote hersenspinspels. En dan loopt zo’n loser dat te verzieken verdomme.

Als ik straks dat zijpad neem, dan moet ie wel doorlopen. Het is wel heel doorzichtig als hij ook die kant op gaat. Vanuit m’n ooghoek kijk ik naar m’n achtervolger. Met ingehouden adem en gespitste oren buig ik af. Loopt hij door? Ben ik van hem verlost? Neeee!!! Nog steeds hoor ik de zware ademhaling en voetstappen.

Oké, hij vraag er gewoon om. Ik draai me om, neem een Kung Fu-houding aan, schreeuw iets van ‘Nihjaa!’ en geef de man een flinke schop.

Hmm, toch maar niet. Dan zit er nog maar één ding op. Ik stop, leg m’n been op een bankje en kijk hijgend, briesend en snotterend hoe mijn achtervolger rustig verder rent.

Foto: Todd Ryborn


Deze column is op 20 januari 2010 gepubliceerd in de Revu.