‘Het wordt iets later. Hmmm, slechte beurt…’, lees ik op m’n iPhone. ‘No worries’, sms ik terug terwijl ik, heel fashionably late, het café binnenloop waar we hebben afgesproken. Ein-de-lijk gaan J. en ik elkaar zien. Of weer eigenlijk. 3 jaar geleden, toen mijn wereld er nog heel anders uitzag, leerden we elkaar kennen. Deze zomer kregen we weer contact. Lang leve social media.
Ik ga zitten aan een tafeltje op een hoge kruk. Als ik naar rechts kijk kan ik de deur van de ingang zien. M’n jas en tas leg ik op de kruk naast me. Ik bestel een Spa Rood en beantwoord m’n laatste mailtjes. Er verschijnt een sms in m’n scherm: ’20 minuten.’ Normaal heb ik er flink de pest in als iemand me zo lang laat wachten. Nu niet. Ik weet niet of dat goed of slecht is, maar het voelt in ieder geval wel lekker rustig. Ik loop naar buiten om m’n ouders te bellen om de tijd te doden.
Na een kwartier loop ik weer naar m’n tafeltje en check m’n Twitter timeline, Facebook pagina en surf wat op internet. ‘Zit je al lang te wachten?’. Opeens staat J. naast me. Ik sta op van m’n kruk en geef hem 3 zoenen. Jeetje, wat is hij lang. Dat was ik helemaal vergeten. ‘Valt mee, een kwartiertje ofzo,’ lieg ik. ‘Ik zit al een uur met m’n telefoon te spelen’, klinkt niet echt cool natuurlijk.
J. trekt z’n jas uit, gaat zitten en kijkt me aan met een grote glimlach. Wat een mooie mond heeft hij. Ook dat was ik vergeten. We praten over werk, reizen en onze dromen. Als hij aan het woord is kan ik alleen maar denken oooh hij is écht héél leuk terwijl ik m’n best doe niet schaapachtig te grijnzen zoals ik de afgelopen weken deed als ik een berichtje van hem las.
‘Willen jullie nog iets drinken? Dit is de laatste ronde’, zegt de serveerster. Wat? Is het al zo laat? Ik wil niet dat deze avond over gaat. Ooit. Ik kijk om me heen en zie dat het café op ons en 2 jongens na leeg is. ‘Nog eentje dan?’, zegt J. ‘Oké’, zeg ik.
Als we onze wijn op hebben lopen we naar buiten. Het personeel dat staat te roken wenst ons een goede nacht. Ik pak m’n fiets en loop met J. mee naar de tramhalte. Maar er rijden geen trams meer. ‘Dan pak ik zo een taxi.’ We lopen over de Overtoom met mijn fiets tussen ons in. ‘Ik moet hier af’, zeg ik. Zonder na te denken zoen ik hem. Joehoe! Hij zoent terug. En hoe!
Een jongen die voorbij fietst roept: ‘Jullie zijn verliefd!’
‘Ik ben nu eindelijk blij met mezelf.’