Hardlopen in de vrieskou met een heldere lucht. Daar kun je me ’s nachts voor wakker maken. Toen vorig weekend de temperatuur eindelijk onder de nul graden was gezakt, spurtte ik goed ingepakt in laagjes met handschoenen aan en een band over m’n oren enthousiast naar buiten voor een rondje door de duinen.
Na een minuut of vijf voel ik iets nats boven m’n lip. Yuk, een snottebel. Voor m’n neus ophalen is het te laat en een zakdoek heb ik niet bij me. Ik buig m’n hoofd iets voorover en veeg met m’n handschoen onder m’n neus. Nog geen minuut later voel ik al weer nattigheid uit m’n neus komen. Hoe toepasselijk, ik heb een loopneus.
Terwijl ik al snuivend en vegend verder ren, denk ik aan voetballers die één neusgat dichthouden en uit het andere gat een klodder blazen. En aan de hardloper die z’n neus goed ophaalde en met een flinke rochel een mengsel van slijm en snot tufte. Toen ik de hardloper met een vies gezicht passeerde, keek hij me aan met een nonchalante blik van ik moet het toch kwijt?
Ondertussen voel ik hoe in m’n mond een klodder slijm zich met speeksel vermengt. Ik kijk om me heen. In de verte zie ik een man in een zeiljack met een Duitse Staande. Nog geen honderd meter achter me loopt een vrouw met een kinderwagen. Ik slik.
Als ik een paar dagen later met het groepje dames dat ik training geef door het Vondelpark loop, hoor ik ineens het geluid van een klodder speeksel die de grond raakt. Een van de meiden heeft zojuist gespuugd. Zonder haar neus op te halen, zonder flinke rochel en zonder kwijl op haar kin achter te laten. Ladylike is het niet, maar echt ranzig vind ik het ook niet. De dame naast haar lijkt niet vreemd op te kijken en ze kletsen samen rustig verder.
Een paar dagen later loop ik door de Scheveningse Bosjes en voel losgekomen slijm in m’n keel kleven. Ik stop even, kijk even om me heen maar zie niemand. Ik adem diep in en tuf langs het pad. Als ik opkijk fiets er een man voorbij. Zul je altijd zien. Het lijkt alsof hij z’n wenkbrauwen optrekt. Tja, ik moet het toch kwijt?