Gastblogger
Posted by Nienke under Bloggen on 29 augustus, 2010Deze week ben ik gastblogger op het weblog van IN10, een creatief bureau voor interactieve merkcommunicatie. Stukjes die ik schrijf kun je hier lezen.
Deze week ben ik gastblogger op het weblog van IN10, een creatief bureau voor interactieve merkcommunicatie. Stukjes die ik schrijf kun je hier lezen.
Voor een reportage ben ik op bootcamptraining in het Westerpark. ‘Ik ben best een beetje nerveus,’ giechelt een meisje dat ook voor het eerst meedoet. ‘Ik hoorde verhalen over meisjes die moesten kotsen.’ Ook ik ben gespannen. Ik ben dan wel sportief, maar wordt dit niet te zwaar voor me? Mezelf opdrukken lukt me amper. Zelfs niet in de mietjesstand, op m’n knieën.
We rennen naar een grasveld voor de warming up: rondjes rennen, vooruit, achteruit, zijwaarts, knie heffen en met je hakken tegen je billen tikken. Daarna begint meteen het echte werk: push ups. ‘Nienke, buik aanspannen en kont naar beneden,’ roept de personal trainer. Als de rest klaar is, zucht ik ‘30’. Oké, het waren er hooguit 10. Gelukkig heeft de drilinstructeur niets in de gaten. Hij verdeelt de groep in beginners en gevorderden. Oef, ik hoor bij de beginners. ‘Nienke, meekomen!’ Zucht. Niet dus.
Over smalle paadjes van een spoorwegtaluud rennen we dwars door brandnetels en distels. Ik negeer de schrammen en striemen op m’n benen. Dit is bootcamp. Wéér opdrukken, het taluud oprennen, het rek bij het spoor aantikken en zigzaggend naar beneden hollen. ‘Voorzichtig Nienke! Zigzaggen! Te laat. Met een noodgang stort ik naar beneden. De trainer vangt me op. ‘Ik zeg niet voor niets dat je moet zigzaggen. Je kunt wel stoer hardlopen, maar dit is andere koek hè?‘
Na een paar sprintjes slingeren we als apen over een klimrek. Tenminste, dat is de bedoeling. Na 1 slingerpoging sta ik weer op de grond. ‘Kom op! Doorgaan!’ De personal trainer houdt m’n benen vast. Ik kan moeilijk opgeven met een drilsergeant die me in z’n greep houdt. Als ik eindelijk mag loslaten kijk in m’n handen. 5 blaren.
De groep rent alweer naar het volgende grasveld. We kruipen op handen en voeten over de grond. Kraaak. OMG! Mijn joggingbroek. Er springt een scheur in van m’n kruis tot m’n rechterbil. Neeeee! Wat gênant! Stoppen of doorgaan? Doorgaan. Een rode boei heb ik toch al. Op handen en voeten met m’n buik in de lucht. ‘We gaan stretchen’, hoor ik. Ik ga op m’n rug liggen en kijk dankbaar naar de hemel.
I did it!!!
Foto cc Jens Olde Kalter
Deze column is op 12 augustus 2010 geplaatst op Joop.nl.
Als die meneer voorbij is, ga ik wandelen. Echt. Nog een heel klein stukje. Het gaat best. Ik voel nog niets. Nee stoppen! Je hebt maanden getraind met een lullig elastiek om zo ver te komen. Straks verpest je het. Oké, wandelen. Ongeduldig kijk ik hoe de seconden wegtikken op het schermpje van m’n iPod.
Ik ren weer m’n rondje in het Vondelpark na een vervelende kuitbeenblessure. Nou ja, ren. Ik mag een paar minuten hardlopen en dan wandel ik een minuut. En dat herhaal ik zo vaak het schema aangeeft dat ik van m’n fysio kreeg.
Nog 20 seconden en dan mag ik weer. Een man rent me tegemoet. ‘Kom op!,’ roept ie met een brede grijns. Ik wil zeggen: ‘Ik heb een blessure! Ik heb een marathon gerend!’ In plaats daarvan probeer ik te glimlachen. Die poging resulteert in een vernietigende blik van een boer met kiespijn. De man loopt rap door.
Djiez, waarom fok ik mezelf zo op? Ik ren weer! Geniet! Ik haal diep adem en neem een rustig pad langs het water.
Ik denk aan de eerste meters dat ik hardliep, zo’n 6 jaar geleden. Op sneakers, in een trainingsbroek en grijze hoody. Na 2 minuten rennen keek ik uit naar de minuut wandelen. Ik denk aan het trotse gevoel toen ik voor het eerst 5km liep. Aan m’n eerste 10km wedstrijd tijdens de marathon van Rotterdam. En dat ik toen geen moment dacht dat ik 4 jaar later dezelfde finish zou halen met 42,195km in m’n benen. Al die momenten kan ik nu opnieuw beleven. Dat is geweldig! Toch?
De timer op m’n iPod geeft aan dat er 2 minuten voorbij zijn en ik begin weer te wandelen. Als de dame die ik zojuist inhaalde voorbij komt rennen, voel ik met m’n hand aan m’n knie. Waarom doe ik dat? Ik heb helemaal geen last van m’n knie! Alsof die vrouw het kan schelen dat ik wandel. En waarom kan mij het eigenlijk iets schelen?
Ik kijk weer naar de timer op m’n iPod. Het scherm is zwart. Nee! De accu is leeg. Pfff. Opnieuw beginnen is he-le-maal niet geweldig. Ik begin weer te rennen en loop aan een stuk door naar huis.
‘Zullen we elkaar iets beloven vanavond?,’ vraag ik vriendin F. als we bij mij thuis zitten te eten voordat we gaan shoppen. ‘Uhm, wat dan?’ Ze kijkt ietwat argwanend. ‘Dat we het vanavond níet over mannen hebben. Ik ben ons gezeik over mannen zóóóóó zat!,’ verzucht ik. ‘De laatste weken hoor ik niets anders dan geklaag over slechte dates en lamballen van vriendjes. Mannen die met hun kind verschijnen op een eerste date zonder ooit ook maar genoemd te hebben dat ze er één hebben. Mannen die over trouwen en kinderen beginnen en een dag later met de noorderzon vertrekken. En mannen die voor alles en iedereen tijd maken behalve voor hun eigen vriendin. En ja, ik kan er ook wat van. Maar we hebben toch genoeg andere LEUKE dingen om over te praten? En alsof die kerels het ook de godganse dag over ons hebben?! ‘
F. kijkt ietwat verbaast, maar zegt dan: ‘Je hebt gelijk. Maar mag die deal over 2 minuten ingaan? J. mailde vandaag en daar moet ik écht iets over kwijt.’ Ik richt m’n ogen naar de hemel en zucht ; Oké.’
‘De 2 minuten zijn om!’
‘Ik ben bijna klaar.’
‘Nee, ik ben er klaar mee.’
‘Ja maar…’
‘2 minuten zijn 2 minuten.’
‘Maak je verhaal morgen maar af.’
‘Nouhou… Oké dan’.
Een uur later lopen F. en ik gearmd in de Kalverstraat. ‘Had ik al verteld dat J…’ Ik kijk m’n BFF bestraffend aan. ‘Oh ja…’ ‘Mag ik ook niets zeggen over mannen die voorbij lopen?’ ‘Over de billen van die ene grote donkere man in dat blauwe jack zeker? I know you too well honey,’ lach ik.
Als we uitgeshopt zijn ploffen we met onze tassen met aankopen op het terras. F. gaat naar de ladies room. Terwijl ik een slok van m’n witte wijn neem hoor ik een mannenstem achter mij zeggen: ‘Het is een prachtige vrouw, maar ik weet gewoon niet wat ik met haar aan moet.’
‘Wat wilde je nog over J. vertellen?,’ vraag ik als F. terugkomt van het toilet.
‘Heb jij zin om te helpen een PAX-kast in elkaar te zetten? Nee is een heeeeeel begrijpelijk antwoord hoor!’, mailt vriendin L. Ze heeft een vriendje, waarom vraagt ze hem niet? Dan lees ik dat hij het weekend druk is met meisjeskonten kijken bij een of andere miss verkiezing. Ik weet nu wie ik kan vragen te helpen met m’n kozijnen verven dus mail ik terug: ‘Natuurlijk kom ik je helpen’.
Als ik bij vriendin L. kom, zit ze op de grond en telt zorgvuldig het aantal schroeven en pluggen. ‘Het klopt’, zegt ze opgelucht. ‘Muziekje aan en we kunnen beginnen’, zeg ik. ‘Chill of power?’ ‘Powerrrr!’
‘We schroeven eerst deze twee kanten in elkaar en dan zetten we hem rechtop en monteren de rest’, instrueert L. We tellen gaatjes, schroeven en timmeren en zetten de kast overeind. ‘Gaat best goed hè?’, zegt L. verbaasd. ‘Hartstikke goed’, zeg ik zelfverzekerd. ‘Alleen de planken, roedes en lades nog en we zijn klaar!’
‘Deze la komt hier’. L. pakt een plastic la met 6 vakjes. ‘Hier komen m’n strings en broekjes en daar m’n accessoires. M’n beha’s komen in die andere la.’ Ze demonstreert hoe ze mooi achter elkaar op kleur opgeborgen worden. Ik denk aan m’n rommel ondergoed la en glimlach ietwat jaloers.
Samen hangen we de la met vakjes op z’n plek. Doinggg! We hebben de geleider op z’n kop gemonteerd. ‘Nee’, gilt L. als ze de la oppakt. De schotjes voor de vakjes zijn gebroken. Ik krijg het een beetje warm. Was het mijn schuld?
Nog een la, nieuwe kansen. Ik lees het papier met instructies en monteer de pluggen. Dan hangen we de la in de geleiders. Op de plek waar de la in de geleider moet vallen zitten plastic plugjes die ik er zojuist heb ingestopt. ‘Stond dat in de handleiding?’, vraagt L. geïrriteerd. ‘Volgens mij wel’. We keren de la om en pakken de instructies erbij. ‘Uhm, niet dus,’ zeg ik. ‘Maar het leek zo logisch. Waar moeten ze anders in?’ L. probeert met haar tanden de plugjes uit de gaten te krijgen. Ik zucht sorry en hoe ik zo stom kon zijn. ‘Heb je een dun mesje of iets?’, opper ik. L. komt terug uit de keuken met een olijfvorkje en wipt de plugjes er uit. Pfiewwww!
Een half uur later hangen de lades, roedes en planken op hun plek. ‘Mooi he?’ zegt L. terwijl ze een paar bloesjes ophangt. ‘Prachtig!’, zeg ik.
Als ik naar huis ga liggen de plastic plugjes nog ergens op de grond.
Yoga is goed om je lijf soepel te houden en helemaal als je hardloopt en je zulke korte beenspieren hebt als ik. Ik heb een enkel- en kuitbeenblessure en al bijna 2 maanden niet gerend. Ik wil dolgraag naar yoga maar ik durf niet.
7 jaar geleden volgde ik een paar lessen. In mijn klas legden 60-plus dames moeiteloos hun handen plat op de grond. Ik was de jongste en kreeg m’n benen niet eens gestrekt! Ik hou er niet van de stumper van de klas te zijn, dus stopte ik.
Maar ik hou meer van hardlopen dan dat ik er niet van hou de stumper van de klas te zijn. Daarom geef ik mezelf een schop onder m’n kont richting de yogastudio om de hoek voor een proefles. De ruimte is licht met een houten vloer. Het ruikt er fris en zoet. Een man met een lange grijze staart praat met de yogalerares. Hij doet me denken aan een Zen Master die zonder centje pijn 5 dagen op een berg kan zitten mediteren.
We beginnen met een oefening op een opgerold yogamatje waar we met onze onderrug langzaam over heen bewegen. Dat gaat best makkelijk. En het voelt ook prettig. Alsof m’n rug langer wordt. In m’n ooghoek zie ik de Zen Master worstelen om z’n benen in de lucht te krijgen. Goh, hij is dus niet zo lenig als ie er uitziet.
Dan moeten we een bankje pakken. Voordat ik me kan afvragen wat we daarmee gaan doen, vliegen er benen rondom me de lucht in. Oh nee, ik moet op m’n hoofd gaan staan! M’n klasgenoten staan met gesloten ogen met hun benen in de lucht. Hé, dat ziet er best indrukwekkend uit. Heel zen. De yogalerares komt naar me toe en instrueert hoe ik m’n schouders op het bankje zet en m’n hoofd tussen de plankjes steek. Voorzichtig zet ik af en steek m’n benen in de lucht.
Wiehaa, ik sta op m’n hoofd! Ik voel dat ik rood aanloop. Nog roder. Ik sluit m’n ogen om de druk in m’n hoofd weg te zennen maar zo zen ben ik (nog) niet. Ik laat m’n benen zakken en ga staan.
‘Netjes hoor’, zegt de yogalerares. ‘Dat lukt lang niet iedere beginner. Kom je volgende week weer?’
Ja, leuk!
Ik moet een nieuwe bikini, dacht ik zondag toen ik m’n voeten voor het eerst dit jaar in m’n Birkenstock slippers stak. Het is nú nog geen bikiniweer, maar als het straks wél bikiniweer is dan is er natuurlijk geen fatsoenlijke bikini meer te krijgen.
Als ik even later tussen honderden bikini’s en badpakken in de Bijenkorf sta, bedenk ik me dat het vinden van de juiste bikini een verschrikkelijke opgave is.
Een groot broekje kun je over je zwembandjes hijsen maar daarin lijkt je kont weer huge. Bij een klein broekje moet je uitkijken voor een bouwvakkersdecolleté en overhangend buik- en rugvet.
Aan de collectie te zien is een strapless model het helemaal deze zomer. De keer dat ik mijn ietwat hangende, druppelvormige boezem in zo’n ding stak leek het alsof ik een mini anti-tochtrol op m’n borst had geplakt. Geen strapless dus. Ik moet een bovenstuk die de boel omhoog hijst. Iets met een halter.
Welke kleur? Zwart kleed af maar is niet zomers. Wit staat alleen als je poepie bruin bent. Met een rode beach outfit wek je de indruk dat je jezelf een Baywatch chick waant. Horizontale strepen maken dik en een panterprint staat gauw ordinair. Pffff! Ik besluit voor effen blauwtinten te gaan en bloemenprints in felle kleuren.
Een uur later sluit ik me met zes verschillende bikini’s op in een pashokje. Ik haal diep adem. Nog eens. Ik schop m’n slippers uit, trek bikini 1 aan en bekijk mezelf in de spiegel.
Oef. Binnenkort maar even onder de zonnebank. En buikspieroefeningen doen. Waarom is het licht in die pashokjes altijd zo fel? Ik draai me om en bekijk m’n kont. Aaah! Ik heb vier billen! Snel trek ik bikini 1 uit en bikini 2 aan. Het broekje lubbert en m’n borsten piepen uit het bovenstuk. Bikini 3 dan maar. Dit model zit zo strak dat ik net een rollade lijk. Next! OMG, bikini 4 krijg ik niet eens aan! Jemig, wat is het heet in dit hok. Het lijkt wel juli.
Bikini 5 en 6 laat ik op hun hangers.
M’n oude bikini kan best nog een zomer mee, denk ik en trek m’n Birkenstocks weer aan.
Het lijkt alsof de hele wereld behalve ik een Chinees in damesondergoed heeft gezien en is toegezongen door de pianoman op Chatroulette, dé internetsensatie van de afgelopen maanden. Het leek me nogal simpel vermaak voor als je écht niets te doen hebt. Niks voor mij. Of zouden er echt zo veel freaks te zien zijn? Die vraag bleef me maar stalken. Vrijdag kon ik m’n nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en surfde naar chatroulette.com.
Een bebrilde jongen in trui met groot embleem verschijnt op m’n scherm.
Partner: Hi! Where are you from?
You: Hi! I am from Holland. And you?
Partner: Switzerland.
Partner: You are the first Dutch I see here
You: Really? Well, it’s my first time here
Blur! Het scherm wordt zwart. Pardon? Meneer wil geen maagden zeker. Tsss.
Next. Er verschijnen twee giechelende meisjes. Ze zwaaien. Vanuit Zweden vertellen ze. Ik ben de eerste normale persoon die ze zien. Dan moeten ze ineens eten. Het scherm wordt weer zwart. Next. Een jongen. Hij steunt met z’n hoofd op z’n hand en glimlacht als hij me ziet.
Partner: Hi
You: Hi
Partner: Where are you from?
You: Holland. And you?
Partner: Albania
Hij is minstens 10 jaar jonger dan ik. Ik vraag waarom hij zo droevig kijkt. Hij vertelt dat z’n vriendin het net heeft uitgemaakt. Ach, arme ziel. Hij vertelt dat hij van haar houdt. En van dansen. En van dansen met haar. Dan vraagt hij of ik ook op Facebook zit. Zonder na te denken geef ik m’n naam. Een minuut later ben ik bevriend met ’n Albanees van 19 met liefdesverdriet.
Ok, ik heb het wel gezien. Beetje saaie bedoening dat Chatroulette.
Een uur later heb ik een bericht van de Albanese jongen. Hij vond het fijn met me te praten en vraagt of ik ook Skype. OMG. Wat moet ik hier nu weer mee? Negeren? Wat een sukkel ben ik ook dat ik m’n naam heb gegeven. Een dag later ontvang ik weer een bericht. Hoe het met me gaat en waarom ik niet reageer. Zal ik hem ontvrienden? Hij is natuurlijk wel een beetje zielig. De volgende dag vraagt hij of ik naar Albanië kom.
Wat een freak!
‘Gijsje is zoek’ staat er in grote letters op het A4’tje dat op bomen in mijn straat is geprikt. De rood met witte kater op de foto kijkt een beetje angstig. Die kat ken ik! Die zit regelmatig in m’n achtertuin. Toen ie nog klein was kwam ie regelmatig naar me toe. Nou ja… Ik lokte hem met een schaaltje melk. En nu is ie zoek. Wat zielig!
Ik ga Gijsje redden. Ik zie mezelf al zitten met Gijsje op schoot terwijl ik de eigenaresse bel. Zielsgelukkig spurt ze met haar kattenmand naar mijn huis. Met een verterende glimlach kijk ik toe hoe het beest en zijn baasje worden herenigd.
Als ik een dag later door de achterdeur naar buiten kijk, zie ik 2 groene ogen. Gijsje! Ik doe de deur open, hurk en maak geluiden die je alleen maakt als je een kat roept. Gijsje blijft zitten en staart me wantrouwend aan. Ik pak een tak waarmee ik op de grond tik. De kat kijkt gebiologeerd naar de tak die heen en weer over de tegels schraapt en komt iets dichterbij. En nog iets. Op een meter afstand blijf ie zitten.
Als ik nu opsta en ‘m probeer te pakken is ie weg. Ik heb geen melk. Wel kaas. Zou ie kaas lusten? Ik sta op en loop naar de keuken. Met een plak kaas in m’n hand ga ik weer op m’n hurken zitten en gooi een klein stukje kaas naar Gijsje. Hij eet het op. Ik gooi nog een stukje maar zo dat ie dichterbij moet komen. Nog een. De kat zit nu op 30 cm van me vandaan. Ik steek m’n hand uit met een stuk kaas maar hij durft het niet te pakken. Het heeft nu lang genoeg geduurd. Ik sta op en grijp de kat. Gijsje blaast en krabt. Stevig druk ik het beest tegen me aan, gooi hem naar binnen en sluit de achterdeur.
‘Maar dat is Gijsje niet’, zegt het baasje van Gijsje die 10 minuten na mijn telefoontje in mijn woonkamer staat.
‘Oh’.
Als het baasje van Gijsje weg is, pak ik de verkeerde Gijsje op en plof op de bank. Zodra er nieuwe A4’tjes met ‘Vermist’ in de straat hangen bel ik wel.
Deze column is op 13 april 2010 gepubliceerd in De Pers.
Nerveus speel ik met m’n iPhone in de wachtkamer van de fysiotherapiepraktijk. Ik kan maar aan één ding denken: laat Peter, m’n fysio, m’n column in De Pers niet hebben gelezen waarin ik hem mix McDreamy McSteamy noem.
‘Heb je een gesigneerd exemplaar?,’ vraagt Peter als ik eenmaal op de behandeltafel lig. Ik voel het rood optrekken van m’n hals tot m’n kruin. Thank God lig ik met m’n gezicht in het gat van de tafel. Een gat waar ik nu héél graag door zou willen kruipen tot diep onder de grond.
Wat ben ik ook een sukkel. Natuurlijk hebben ze zich in bijna iedere fysiotherapiepraktijk in Nederland afgevraagd of mix McDreamy McSteamy bij hun werkt.
Ik giechel betrapt en zeg dat ik hoopte dat hij m’n niet column zou opmerken. Hij vertelt dat de stagiaire er mee kwam en dat z’n collega’s er hard om hebben gelachen. ‘Ga je me nu martelen?’, vraag ik. Peter lacht en zegt dat ie lief zal doen terwijl hij m’n kuiten masseert. ‘Maar je mag schoppen hoor’. Djiez, ik ben in een fucking doktersroman beland.
Als hij m’n been schudt en kont laat trillen, zegt ie: ‘Sorry, dit hoort er toch echt bij’. Pfiew, hij lijkt het wel amusant te vinden. Voor de zekerheid vraag ik of ie het écht niet vervelend vond. ‘Nee hoor, juist leuk. Ik sta natuurlijk niet elke dag in de krant. Heb het thuis ook laten lezen.’ Hihi, subtiele manier om te laten weten dat ie voorzien is. O nee, wacht even. Hij denkt toch niet dat ik verliefd ben? Dat ik met een bonzend hart in de wachtkamer zit. Dat ik fantaseer over wat we nog meer op die behandeltafel kunnen doen. Zal ik zeggen dat hij zich geen zorgen hoeft te maken? Dat ik hem heus niet op de tafel trek?
‘Hoe gaat het met je training voor de marathon?’ Gelukkig, ander onderwerp.
‘Volgende week zelfde tijd?’, vraagt Peter als ik me heb aangekleed.
‘Oké,’ zeg ik, ‘tot volgende week’.
‘Geen gekke dingen schrijven hè?’
Deze column is op 30 maart 2010 gepubliceerd in De Pers.